Op 27 oktober 2008 vond de laatste uitzending plaats van de televisievierluik over energie van het VPRO programma Tegenlicht. De titel van deze aflevering is: “Het land van zonnestroom en windenergie”. De redactie had ervoor gekozen om gelijkgestemde deskundigen het woord te geven over een toekomstig duurzaam Nederland. Alle deelnemers aan de discussie zijn actief in de duurzame energie in Nederland: Peter Blom (Triodosbank), Wubbo Ockels (TU Delft), Ad van Wijk (Econcern) en Willem Vermeend (ondernemer en oud-minister). De discussie werd geleid door de journalist Rob van Hattum zonder veel eigen inbreng en sturing. De gespreksdeelnemers konden dus naar hartelust hun eigen stokpaardjes berijden, hun eigen bedrijfsbelangen bedienen en elkaar de bal toespelen. Het resultaat van de “discussie” was dan ook voorspelbaar, en de kijker werd de mist ingestuurd met een groot aantal hele en halve onwaarheden. Door deze journalistieke aanpak weet je namelijk van te voren dat essentiële feiten niet boven tafel zullen komen, en dat voor de hand liggende kritische opmerkingen niet gemaakt zullen worden.
Vermeend beweerde met grote stelligheid dat als alle kosten in rekening worden genomen, een investering in duurzame energieopwekking nu goedkoper is dan een investering in fossiele energieopwekking. Waarschijnlijk vergeleek hij een flink windpark op land van bv. 500 MW met een kolencentrale van 500 MW, inclusief de aanschaf van de kolen, en allemaal op een bepaalde manier gekapitaliseerd. Maar zo mag je natuurlijk niet rekenen, want wind op land heeft een capaciteitsfactor van ongeveer 25%, dus je moet een windpark van 2000 MW vergelijken met een kolencentrale van 500 MW. Maar dan is dit nog steeds een vergelijking tussen appels en peren. Een kolencentrale biedt leveringszekerheid en een windpark niet, helaas. Als oudpoliticus was Vermeend de debateertrucs kennelijk nog niet verleerd.
Wubbo Ockels kon niet nalaten te melden dat het in de hogere luchtlagen veel harder waait dan vlak boven de grond, maar van de laddermolen die deze energie zou moeten oogsten hoor je niet veel meer. Hij kwam met de stelling dat mijn elektrische auto 20.000 km per jaar kan rijden van de energie uit 16 m2 aan zonnepanelen op mijn dak. Een snelle berekening leert dat deze stelling correct is. Het elektrische net is echter onmisbaar, want de tijdstippen van vraag en aanbod tussen mijn auto en de zonnepanelen op mijn eigen dak zullen vrijwel nooit samenvallen. In dat geval kun je echter volstaan met slechts 8 m2 in Zuid-Spanje, de transportverliezen zijn slechts 10% nadat een Europees hoogspannings gelijkstroomnet is aangelegd. Die 8 m2 vergen natuurlijk veel minder investering dan 16 m2, de energieterugverdientijd zakt van 3 tot 4 jaar naar 1½ tot 2 jaar, en volgens alle economische en ecologische criteria is de Spaanse oplossing te prefereren. Niet voor dit panel echter, want het benepen kleinschaligheidsdenken vierde hoogtij.
Het panel kwam gelukkig ook met voorbeelden van goede ontwikkelingen, zoals de energie-leverende kas en de energie-neutrale woning.
De communis opinio was: de energievoorziening van Nederland (inclusief wegtransport) kan 100% duurzaam worden met behulp van windenergie, photovoltaische zonne-energie (PV), passieve zonne-energie, en nog wat andere technologieën. Het wegverkeer wordt elektrisch; stilstaande voertuigen zijn aan het elektrische net gekoppeld zodat hun gezamenlijke accubatterijen kunnen fungeren als de noodzakelijk energieopslag (bij windstilte ’s nachts is er immers geen stroomproductie). Vermeend bepleitte herhaalde malen dan we de rekensommen moeten maken, welnu, bij dezen.
Er zijn in Nederland 7 miljoen personenauto’s, stel dat dit allemaal elektrische auto’s zijn met een vermogen van 15 kW. Een dergelijk vermogen heeft een modale, vrij kleine auto nodig om met een kruissnelheid van 100 km/uur te rijden. Stel dat alle Nederlandse automobilisten bereid zijn om 1 uur aan batterijcapaciteit (dus 100 km) ter beschikking te stellen aan het net. De totale opslagcapaciteit is dan: 7 miljoen x 15 kW x 1 uur = 100 GWuur.
Het gemiddelde elektrische vermogen dat Nederland verbruikt is 13 GW. De gezamenlijke opslagcapaciteit van de autobatterijen is nog niet eens 8 uur aan gemiddeld Nederlands stroomverbruik. Het is evident dat met deze geringe opslagcapaciteit Nederland vele keren per jaar in het donker komt te zitten, een onacceptabele toestand. Nederland zal dus altijd een reservecapaciteit van minstens 20 GW aan stroomopwekkingscapaciteit moeten hebben. In het gunstigste geval zijn dit gasgestookte WKK eenheden, in het ongunstigste geval kolencentrales en kerncentrales. Hoezo 100% duurzaam? Die kolencentrales en kerncentrales met hun hoge kapitaalslasten zullen toch zeker niet slechts 10% van de tijd of minder gaan draaien?
De noodzakelijke reservecapaciteit kan wel voor >95% duurzaam en met 100% zekerheid worden geleverd in de vorm van spiegelcentrales in de woestijnen, waar overdag de zon vrijwel altijd schijnt. Dit zijn thermische centrales met warmteopslag die dag en nacht produceren. En als door langdurige bewolking de warmteopslag leeg is geraakt, kan gas worden gestookt. De stroom kan met slechts 15% verlies naar Nederland worden getransporteerd door middel van hoogspannings gelijkstroomleidingen.
Toen de discussie te veel een lofzang op kleinschaligheid dreigde te worden greep Van Wijk in met de opmerking dat grootschalige oplossingen zoals zonnecentrales in de Sahara en windparken op de Noordzee ook nodig zijn. Hij ging verder door met de windparken, want Econcern is wel actief in wind-op-zee, maar niet in CSP. Dit was het moment geweest voor gespreksleider Rob van Hattum om in te grijpen en de CSP-optie met het DESERTEC plan, dat door Al Gore met veel verve werd gepropageerd tijdens zijn lezing in Aalsmeer ter discussie te stellen. Immers, tijdens de eerdere uitzendingen in de serie werd aan CSP uitvoerig aandacht geschonken, sterker nog, in de eerste aflevering waren veel meer zonnespiegels te zien dan zonnepanelen. Ook in het VPRO-programmablad schreef Rob van Hattum als inleiding over de grote mogelijkheden en werd Paul Metz geinterviewd over Desertec.
100% duurzame energievoorziening is onmogelijk zonder spiegelcentrales in de woestijnen. Elektriciteit kan niet in voldoende kwantiteit opgeslagen worden (te weinig stuwmeren in Europa), batterijen zijn te duur, de hoeveelheid (elektrische) auto’s is ook in de toekomst te beperkt. Elektriciteitstransport over grote afstand gaat goed met gelijkstroom.
De panelleden waren eendrachtig in hun kritiek op de Nederlandse overheid, waarbij vooral het zwalkende subsidiebeleid het moest ontgelden. Eendrachtig werd het Duitse Feed-In-Tariff stelsel aanbevolen als succesvol voorbeeld voor Nederland. Momenteel loopt er een email handtekeningenactie om bij het kabinet aan te dringen op Feed-In wetgeving naar Duits voorbeeld. De uitvoering van de huidige SDE regeling blijkt een bureaucratische nachtmerrie te zijn, kennelijk erop gericht om installatie van zonnepanelen door particulieren en kleine bedrijven te ontmoedigen. Maar helemaal een godspé is de aan Econcern opgelegde verplichting om over 20 jaar alle windturbines op zee netjes op te ruimen, en hiervoor al 15 miljoen euro te reserveren. Aan de kritiek op het feit dat investeringen in Warmte-Kracht-Koppeling (WKK) door tuinders in het Westland voor niets zijn gedaan omdat er geen voldoende stroomtransportcapaciteit hiervoor wordt gereserveerd, werd door het panel voorbijgegaan omdat kennelijk geen enkel panellid bedrijfsmatig met WKK betrokken is.
De weinig effectieve Nederlandse politiek op het gebied van duurzame investeringen is waarschijnlijk te wijten aan de dominerende invloed van de grote energiemaatschappijen in Den Haag, aangevoerd door een bekende oliemaatschappij. Energiepolitiek is een wespennest van deelbelangen.
Maar evenzeer is binnen de subgroep van duurzame investeerders sprake van een dominerende invloed van bepaalde partijen, die toegang hebben tot het Energie Transitie Beleid en het merendeel van de subsidies in de wacht slepen. Het panel bestond uitsluitend uit dergelijke partijen, een poging om vanuit het GEZEN-netwerk een man in het panel te krijgen is door Rob van Hattum afgewezen. Hij had dus kunnen vermoeden dat de discussie eenzijdig zou worden, maar Van Hattum heeft die ene mogelijkheid om de discussie te verbreden tot duurzame energieopwekking in het zonnige buitenland niet aangegrepen. Hij heeft geen oog gehad voor de dominante deelbelangen, en niet beseft dat hij verstrikt is geraakt in een nieuw wespennest van deelbelangen.
GEZEN had van de VPRO een betere journalistiek verwacht.