Zee van Spiegels 2 – NRC Handelsblad
In zijn reactie op het stuk Zee van Spiegels vergelijkt de heer Prins de investering in een van de zonthermische centrales die nu in aanbouw zijn met die voor een kerncentrale en zegt dat CSP een factor 6 duurder is dan kernenergie (W&O, 26 mei). Dit is niet juist. Een kerncentrale van het type dat nu in Finland in aanbouw is kost niet 1000, maar 2000 euro per kilowatt. CSP heeft een grote potentie voor kostendaling tot het niveau van 4 tot 5 eurocent per kilowattuur, waarna zonnestroom en kernstroom ongeveer even goedkoop zullen zijn, zelfs als de transportkosten van Noord-Afrika naar Nederland in rekening worden gebracht.
De huidige rol van kernenergie is bescheiden, nl. 6 % van het totale energieverbruik op de wereld. Als de voorstanders van kernenergie hun pretentie waar willen maken, zal deze sector minstens een factor 10 moeten groeien. Bij kerncentrales van het huidige type ontstaat dan een probleem met de uraniumvoorziening. De beste manier om dat probleem op te lossen is de bouw van kweekcentrales, maar die zullen wegens hun complexiteit ongetwijfeld duurder blijven dan genoemde 2000 euro per kilowatt.
De heer Prins stelt dat de emissie van broeikasgassen van de gehele keten bij kernenergie lager is dan bij zonne-energie. Misschien is dit waar bij de fotovoltaische zonne-energie, maar zeker niet bij CSP. Een goede maat hiervoor is de energie-terugverdientijd. Een zonthermische centrale heeft in een half jaar evenveel zonne-energie geleverd als er nodig is geweest om de centrale te bouwen. Bij zonnepanelen duurt dit veel langer, nl. anderhalf tot twee jaar in een woestijnklimaat en drie tot vier jaar in Nederland.
Dr. E.H. du Marchie van Voorthuysen
Stichting GEZEN, Groningen